Ze heeft vast een vent verstopt (deel 3)

We keken voorzichtig om het hoekje, maar trokken onze hoofden direct weer terug, een enorme walm kwam ons tegemoet. De stank was op zijn minst te vergelijken met die van een dierentuin waar de schoonmakers bezig zijn met een marathonstaking. We vielen bijna flauw van de bijtende, bijna dampende lucht. Inmiddels viel er weer wat aan diggelen dus we staken onze hoofden opnieuw om de deur, dit keer voorbereid op de chemische aanval. Eén blik op de kamer maakte duidelijk dat dit oorlogsgebied was; de vloer was bezaaid met scherven, het behang hing in treurige stroken naar beneden, en er was iemand met een bajonet de gordijnen te lijf gegaan. En in het midden van die smeulende puinhoop, als een kleine generaal, zat een enorme rode kater ongelofelijk vals naar ons te loeren.

Verschrikt keken wij elkaar aan, we hadden een vent verwacht, niet dat mevrouw Hoender stiekem haar kat had meegenomen. Maar wat nu? Geen van beiden hadden we die beesten in huis.
Mia zette voorzichtig één voet over de drempel, meteen klonk er een luid gesis en geblaas.
‘Fijn, een kat from hell, dus.’ Mia zette haastig een stapje terug. Het werd weer stil in de kamer, onderbroken door de luchtverplaatsing die het zwiepen van zijn staart veroorzaakte.
Nu was het mijn beurt; ‘Poes, poespoespoes.’
Verdomme, dat beest kwam niet eens tot mijn knieën, die kon ik toch wel de baas?
Het lukte dit keer twee stappen ver te komen tot meneer weer begon te sissen en te blazen. Hij hief nu ook één van zijn poten op, het licht weerkaatste op zijn nagels. Dit ging ‘m wederom niet worden.
‘Jij nog ideeën?’ vroeg ik aan een bibberende Mia naast me.
‘Niet echt.’
‘Naar de Bruin gaan dan?’
‘Echt niet!’
Ik zuchtte.
‘Ik snap je. Die wordt laaiend dat we dat beest niet eerder ontdekt hebben, en als ik moet kiezen tussen een blazende kat of een baas die net zo hard blaast, kies ik toch echt voor de eerste. Die is kleiner.’
‘Heb je die nagels wel eens gezien?’
‘Welke? Die van de Bruin?’ Mia expres verkeerd begrijpend. Met elkaar in de put praten kregen we dat beest niet uit de kamer.
Mia grinnikte.’Ja, die schijnt ze elke dag te slijpen.’
We keken de kamer weer in. Zwiep zwiep ging de staart nog steeds.
‘Hé,’ zei Mia ineens, terwijl ze opveerde, ‘ zouden we ‘m de badkamer kunnen injagen?’
‘Doei! Heb je gezien wat ‘ie doet als we ook maar één stap de kamer inzetten?’
‘Nee met een plantenspuit, dat we hem opdrijven.’
‘Ik vind je dapper, maar dan heb je op z’n minst een hogedrukspuit nodig, wil je indruk maken op dit exemplaar.
‘Idee! Wacht hier.’

En Mia was al weg voordat ik ‘Hé, wacht. Laat me niet alleen met dit beest,’ kon zeggen.
Ik blies wat adem uit en liet me langs de deurpost op mijn hurken zakken. Cujo ging er ook maar bij liggen, zijn gele ogen vast op mij gericht. We deden al gauw een wedstrijdje wie het langst kon staren zonder te knipperen. Het gaf me toch wel voldoening om te winnen.
‘Ha! Jij keek weg, stomme kat.’ Uit schaamte begon hij zijn linker voorpoot maar te poetsen.
Wat zou die kat eigenlijk denken? Mevrouw Hoender was nu toch al zo’n twee dagen niet op haar kamer geweest. Zou hij haar gemist hebben? of zou ‘ie alleen zijn eten missen? Z’n bak had ‘ie op zeker gemist aan de nog steeds erg aanwezige geur te ruiken.

Mia kwam terug met lege handen terug.
‘Hans wilde ‘m niet afstaan. Staat de serre schoon te boenen op last van de Bruin; dat kunnen we dus wel vergeten.’
‘Ik heb een ander idee. Als jij hier nu de wacht houdt. Zittend, vindt ‘ie minder bedreigend. Dan ben ik zo terug.’
Ik kon haar aan het einde van de gang nog horen tegensputteren.
Ik rende ondertussen naar de keuken, griste naar wat vleeswaren, een stuk kaas en wat melk. Geen idee wat een poes normaal gesproken voorgeschoteld krijgt, maar blikvoer hadden we niet en  om nou achter één van de vele muizen te gaan die het hotel rijk is (sst, niet verder vertellen), dat ging me toch echt te ver.

Met de versnaperingen in mijn hand liep ik weer naar boven, en trof daar een ontstemde Mia.
‘Hoe kom je daar nou weer aan?’ vroeg ik naar de bekende weg, toen ze me een vuurrode kras op haar arm liet zien, alsof het een oorlogswond was.
‘Ik wilde ‘m alleen maar aaien. Hij lag daar zo lief. Vuil kreng! Wie houdt er nu niet van een beetje aandacht. Niet te vertrouwen die beesten. Hij komt hier niet levend vandaan hoor. Weet híj nog niet. Moet ‘ie me maar niet krabben.’
‘Je bent nu net zo aan het blazen als hij,’ met een hoofdknik naar de immer loerende kat. Maar Mia was niet in de stemming voor grapjes en bleef met naar armen over elkaar staan mokken als een klein kind.
Met wat ham in mijn uitgestrekte handen liep ik langzaam de kamer weer in. Poes ging weer staan, het eten ongetwijfeld al ruikend. En echt, de staart ging omhoog en hij drentelde bijna verrukt naar me toe. De ham werd bijna uit mijn vingers gerukt en was binnen twee tellen verdwenen.
‘Zie je wel. Gewoon honger.’
Mia keek voorzichtig over mijn schouder.
De volgende plakken verdwenen eveneens in rap tempo, evenals de kaas. Het feestmaal werd besloten met wat melk.
Poes ging met een verzaligde uitdrukking zitten, bleef z’n bekkie aflikken, oogjes half gesloten.
Ik ging naast hem zitten, vertederd, gesmolten voor dit stukje bont. Waagde het even zijn kopje te kriebelen. Luid spinnend schurkte hij tegen me aan, en ik kriebelde verder. We konden het best vinden zo saampjes.

Ik heb voor hem gezorgd totdat mevrouw Hoender hem kwam halen. Ze kwam bedremmeld het hotel binnenlopen, zoveel overlast veroorzaken had ze nooit gewild.
‘Toen mijn dochter belde met het voorstel samen vakantie te vieren, wilde ik haar niet teleurstellen. Maar ik wilde Bram ook niet alleen achterlaten. Ik kon ook niet weten dat hij twee dagen alleen zou komen te zitten. Maar ik vergoed alle schade hoor,’ zei ze kleintjes.
Dat is uiteindelijk allemaal wel goed gekomen.
Met tegenzin in iedere vezel van mijn lijf droeg ik Brammetje over. Niet zo aanstellen, dacht ik, toen ik een brok in mijn keel voelde. Die was er stiekem ingeslopen, niet alleen vanwege het afscheid, maar ook vanwege het gezicht van mevrouw Hoender toen zij haar geliefde huisdier in de armen sloot. Het leek alsof er licht in haar ogen aanging.
En Bram? Zou hij mij ook missen? Vast niet. Hij hoefde zich geen moment te bedenken en had zich volledig en vol overgave in haar armen genesteld. Uiteraard onder luid gespin. Hier hoorde hij thuis liet hij zo weten.

Ergens vond ik ‘m toch wel ondankbaar.

Comment

There is no comment on this post. Be the first one.

Leave a comment