Roze Bril

‘Zodra ‘ie hogere hakken gaat dragen dan ik, dan pas ga ik me zorgen maken.’ Aan het woord is mijn hoogzwangere vriendin. In een knus café hebben we het over de toekomst van de kleine man.

Maar wat als het een etterbakkie wordt, zo één die alles bij elkaar schopt en slaat?
Nee, haar zoon niet. Maar uiteraard denkt elke aanstaande moeder dat.
Homo, bi? Geen probleem, ze is ruimdenkend. En als ‘ie op een goed moment in een jurk naar beneden komt zet ze hem gelijk in de auto richting schoonmama. Die is zwaargelovig en m’n vriendin houdt er wel van de boel op stelten te zetten.
‘Als ‘ie maar gelukkig is,’ verzucht ze.
‘Maar wat als hij nou onwijs gaat puberen?’
Sorry, ik kan het niet nalaten te zeggen, zo nieuwsgierig ben ik naar de roze-bril variant van de zwangere psyche.
Nee dat ging ‘ie niet. En als dan toch, nou dan maar in de alternatieve hoek, met legerkistjes enzo. Haar gruwelbeeld van de rebellerende puber is er één op een rondscheurende scooter, met oorbel in.
En als ik dan zeg dat ‘ie dat dan juíst gaat doen, puberen is per definitie je afzetten tegen je ouders, ketsen mijn woorden af op de immer aanwezige roze bril.
Ik besluit haar lekker op haar wolkje te laten zitten; ze heeft het zwaar genoeg gehad. Acht maanden zwanger, acht maanden ellende. Misselijk, duizelig, steken. En maar moe, moe, moe.
Even later lopen we weer met een slakkengang door het winkelcentrum. Hebben we één winkel gehad dan duiken we weer noodgedwongen door een te klein geworden blaas of een wild schoppende baby in de buik een zoveelste cafeetje in. Ach het is niet eens zo heel anders dan voorheen.
Ze waggelt al een klein beetje, wat als je achter haar loopt, best een grappig gezicht is. Ze heeft een prachtige buik, alles zit van voren. Dus aan de achterkant zie je niks. Nou ja, behalve dan dat ze vreemd loopt.
Ze is het langzamerhand wel zat. Veel kan ze niet meer. Het ergste moet nog komen al we de trap richting parkeergarage aflopen. Vol in de frustratie roept ze: ‘Ik kan m’n voeten niet meer zien!’
Op de terugweg in de auto hebben we het over wat een zwangere vrouw zoal bezighoudt.
‘Heb ik na de geboorte nog wel seks als hij (haar echtgenoot) bij de bevalling is geweest?’
‘Joh, die valt toch flauw, die merkt niets,’ ligt op het puntje van mijn tong, maar vind dat iets te makkelijk scoren. Ik probeer haar gerust te stellen met de dooddoener dat zoveel mensen nog een tweede, derde, veelde kind krijgen. Maar dat stelt haar niet gerust.
Mijn: ‘Jij bent tenslotte ook de jongste thuis, dus je ouders….’ wordt abrupt onderbroken door haar harde gegil. Bepaalde dingen wil je écht niet van je ouders weten.

En zo ik niet van mijn vriendin. Ik bedank voor de eer om samen voor haar voedingsbeha’s te shoppen. En ik waarschuw haar alvast dat ik best heel geïnteresseerd ben in alle babyverhalen, maar dat ik écht niet hoef te weten wat ze die dag nu weer in de luier heeft aangetroffen.
Na gedreigd te hebben een dagelijkse update via Facebook te geven, trekt ze een gekke bek. Ze is van plan er echt nog wel een leven op na te houden naast het moederschap. Ik help het haar hopen.

Te vaak heb ik intelligente vrouwen na de geboorte zien verweken tot een schim van wie ze eerst waren. Het gaat alleen nog maar over krampjes, lachjes, krampjes die voor lachjes worden aangezien en inderdaad de gevreesde ontlasting. Murmelend alsof ze een hersenlobotomie hebben ondergaan: ‘Ohmijnlieveschatbenjedanlief’ en ‘benjemamaslievelieveschatdan’. In een toonsoort die eigenlijk alleen door honden kan worden waargenomen.
Nee, zo gaat zij nóóit worden, lang leve de roze bril, en het gesprek gaat voor de derde keer die dag over schoenen.
‘Echt, ik zweer het je, na de bevalling is de eerste de beste schoenenwinkel niet veilig. Pumps! Hakken!’
Kijk, zo ken ik haar weer en glimlach. Voor heel even zet ik dan ook mijn roze bril op; zíj zal écht niet veranderen na de bevalling…

 

Comment

There is no comment on this post. Be the first one.

Leave a comment