De dag dat Oscar introk (deel 3)

‘Aim efreed of no goosts.’ Mijn zus en ik zongen dit onafgebroken in de tijd dat dit een hit was. We hadden er zelfs een hele act om heen gebouwd, compleet met danspasjes en backing vocals. Echt zuiver en toonvast was het voor geen meter, maar dat maakten we meer dan goed met ons enthousiasme. Dachten we. Want onze moeder werd er hoorndol van. Met haar handen stijf over haar oren gedrukt riep ze meer dan eens: ‘Stop in godsnaam met dat hersenverwekende liedje. Alsjeblieft! Ik word er simpel van.’
Zeg dat tegen twee tienermeiden en zij zullen dat gebruiken als extra stimulans om er nog een schepje bovenop te doen. Ons jongste broertje, daar hadden we fantastisch publiek aan, in het geheel niet kritisch zat hij mee te deinen met zijn te grote kleuterhoofdje, volledig uit de maat klappend met zijn knuistjes en een grote schaterlach op zijn gezicht. Hij begreep totaal niet waar we het over hadden, maar dat wisten we zelf ook nauwelijks. We zongen volledig fonetisch en ja het had iets te maken met ‘ghosts’, geesten. Dat vonden we wel leuk. ‘Geestig’ om maar eens een hele verkeerde woordspeling te kiezen maar in die tijd lagen we daar flauw van het lachen om.

Onze voorstelling van geesten was behoorlijk gekleurd door de film waar het liedje bij hoorde; vier doldwaze idioten die achter een zooitje ongeregelde geesten aan joegen, die eerder lachwekkend waren dan angstaanjagend. Geesten hadden in onze ogen een grote aaibaarheidsfactor. Zo raakten we gefascineerd door het bovennatuurlijke, wat al snel uitdraaide op ‘glaasje draaien’, wat hoog op de to-do-lijst staat van elke aankomende puber.
Een vriendin van mijn zus en mij, Claudia kwam met het idee, uiteraard op een stormachtige woensdagmiddag. We waren alle drie razend nieuwsgierig, vooral vanwege de enge verhalen die we via via gehoord hadden, maar gek genoeg nooit van betreffende personen.

‘Saskia vertelde dat haar zus een hele foute geest heeft opgeroepen. Toen sloegen alle stoppen
door en zaten ze in het pikkedonker.’
‘Ja en Anna’s buurmeisje doet sinds het glaasje draaien geen oog meer dicht vanwege het geklop op de muur.’ Ik, de jongste van het stel en lang niet de dapperste vond het tegelijkertijd spannend en doodeng, die heerlijk tegenstrijdige emotie zoals alleen tienermeisjes die kunnen voelen.
Zou zo’n glas écht bewegen? Kon je echt  kwade geesten oproepen?
Claudia dramde door, overtuigde ons door te beweren dat zij wel wist hoe je alles goed deed, waardoor je nooit iets kon oproepen wat kwaadaardig was. We lieten ons overbluffen, vooral omdat we Claudia een soort heldenstatus hadden toegedicht; zij had tenslotte al seks gehad met een jongen. Achteraf gezien denk ik dat dat helemaal niet het geval was, maar sommige mythes wil je gewoon in stand houden.

Mijn kamertje, werd besloten, was de ideale locatie. Ik sputterde nog wat tegen: ‘Wat nou als een windvlaag al mijn spulletjes omver blaast?’ Ik was toen al netjes aangelegd.
‘Nee, laten we het dan op mijn kamer doen,’ bitste mijn zusje ‘dan zit ik met die troep.’
Mijn kamer dus. Punt.
‘Ik help je wel met opruimen hoor.’ gaf ze toe toen ze zag dat ik op het punt stond in tranen uit te barsten. Zoals gezegd, ik was met elf jaar, drie jaar jonger dan Annet en echt niet de held van het stel.
‘Er komt geen windvlaag, tenminste als jullie het precies zo doen als ik het zeg.’ Claudia keek er nuffig bij.

We sloten ons op in mijn rozer dan roze meisjeskamer, de renovatie tot tienerkamer zou pas over een paar jaar plaatsvinden. We schoven de knuffels opzij en gingen op bed zitten, Claudia zette een grote tas in het midden en begon orders uit te delen:
‘De gordijnen moeten gesloten worden. Deze drie witte kaarsen moeten op bureau, het nachtkastje en op de grond, midden in de kamer, nee, een halve centimeter naar rechts. Ja, zo staan ze precies goed.’
We staken er elk één aan, daarna deed Claudia het licht uit. De kaarsen gaven de kamer een surrealistisch uiterlijk, overal dansten schaduwen om ons heen. Al mijn vertrouwde spulletjes leken wel vloeibaar onder het immer bewegende licht. Buiten was het inmiddels flink aan het waaien en de regen kletterde tegen de rammelende ruiten. Oh, hoe cliché allemaal, maar het verhoogde wel de geheimzinnige sfeer.

Claudia diepte iets wits op uit haar tas, heel even dacht ik dat het takjes waren. Ze zwaaide er even mee voor mijn ogen en zei met onheilspellende stem: ‘Vleermuisbotjes.’ Ik slikte hoorbaar.
‘Pfff,’ klonk de stem van mijn zus achter mij ‘dat zijn gewoon kippen botjes, ik herken ze van de kluifjes.’ Ik kon haar wel zoenen, de spanning was er even af. Volgens een ingewikkeld patroon werden de botjes neergelegd. Het volgende wat uit de tas kwam was een bosje groen.
‘Salie, om de lucht te zuiveren. Helen, wil jij dit in één van de kaarsen houden?’
Ik deed netjes wat me gevraagd werd. De salie vatte niet zozeer vlam maar verspreide een enorme rook, die ons, mede door de intense geur deed hoesten en proesten. Tranen sprongen in mijn ogen van de prikkende dampen en ademhalen begon zeer te doen. De hele kamer was inmiddels gevuld met een dikke mist.
‘Genoeg, genoeg.’ Opgelucht haalde ik de salie weer uit de vlam.
We gingen zitten in een klein kringetje om een bord met daarop 26 briefjes waarop de letters van het afabet stonden geschreven. Met een plechtig gebaar zette Claudia een glas in het midden van de cirkel van briefjes. Er zat een barst in het glas en ik weet nog dat ik me afvroeg of dat kwaad kon.

‘Nu moeten we eerst elkaars handen vasthouden en zo een ononderbroken cirkel maken, zo krijgen we de extra energie die nodig is om contact te krijgen met het hiernamaals.’

Comment

There is no comment on this post. Be the first one.

Leave a comment