Als een konijntje in een koplamp (deel 1)

In het hotel hebben we ook zo onze stamgasten, mensen die minstens één maal per jaar bij ons verblijven, en dat jaar in, jaar uit. Vaak eisen ze dezelfde kamer op, willen hetzelfde personeel, alles het liefst zoveel mogelijk hetzelfde. Zo ook het echtpaar Jansen. Mevrouw Jansen is een struise dame, even kort als rond, het grijze haar stijf in de krulletjes, geen lokje piekt verkeerd. Je kunt met recht zeggen dat ze regelzucht heeft, alles moet gaan zoals mevrouw Jansen geregisseerd heeft. Meneer Jansen daarentegen is een broos mannetje. Ik ben altijd bang dat hij met het eerste het beste briesje meegeblazen wordt en dat bij een flinke noordwester zijn armen en benen als twijgjes zullen knappen. Steeds weer blijkt mijn angst ongegrond; het enige wat wappert in de wind zal zijn woeste witte haardos zijn.
Twintig jaar komen ze hier en steeds weer volgt dan hetzelfde patroon.

Het begint met de binnenkomst van meneer en mevrouw Jansen en hun zeven koffers. Deze worden door het personeel naar de kamer gebracht, waarbij mevrouw Jansen alles met een scherp oog in de gaten houdt. Ze dirigeert, commandeert en regisseert naar hartenlust.
‘Denk om die blauwe koffer, die is gevuld met breekbare spullen.’
‘Hou je goed vast aan de leuning, straks val je nog. En de koffer ook.’
‘Weet je zeker dat je dit naar het goede kamernummer brengt? Ik wil niet dat dadelijk één of andere vreemde snuiter aan mijn mooie spulletjes zit.’
Haar armen en handen schieten alle kanten op om haar woorden kracht bij te zetten.
Dat het al twintig jaar kamer nummer elf is, en het in die twintig jaar nog nooit fout is gegaan, doet er niet toe, mevrouw Jansen heeft graag de touwtjes in handen. Zodra de koffers boven zijn, ontspant ze zichtbaar.
Ze knikt naar Fred achter de receptiebalie, geeft mij een kneepje in mijn schouder en verdwijnt de koffers achterna om ‘even op te frissen’. Meneer Jansen sjokt achter haar aan, tegen iedereen knikkend die zijn kant op durft te kijken. Want meneer Jansen, die vermijden we het liefst allemaal. Want al twintig jaar krijgen we bij elk bezoek minimaal één maal de volledige update te horen van de gezondheidstoestand van meneer Jansen. Versie 20.0 zeg maar.
We vermoeden dat thuis zijn vrouw continue aan het woord is en hij er geen speld tussen kan krijgen, maar dat zodra ze hier in het hotel zijn hij zijn kans schoon ziet, en toeslaat op ons, onschuldig hotelpersoneel.

En op dat moment hebben we oogcontact. Oh shit!
En ja hoor, het sjokken bleek een schijnbeweging, hij ziet mij staan, zijn ogen lichten op bij de herkenning en hij verandert rap zijn koers richting mij. Ik, lafaard die ik ben, hoop nog weg te kunnen duiken achter een plant, maar blijf als een konijntje in het licht van een koplamp verstijfd staan.
En meneer Jansen begint met praten en zal daar de komende dertig minuten niet mee ophouden. Eerst komen er wat beleefdheidsfrases: ‘… en hoe is het nu met jullie, trekt het toerisme nog een beetje aan, ja die crisis ook hè?’ En na dat verplichte rondje is het tijd voor het echte werk…

Er wordt meestal van onderaf aan begonnen. Met de voeten. Want die zijn gezwollen en dat ‘loopt niet lekker. Nee echt, niet langer dan tien minuten, en dan zijn ze dihik. En dan ga ik maar weer naar huis, zitten met m’n benen omhoog, maar ja dat helpt dan niet meer hè. Dan blijven ze dik. En dan zegt zij ‘koop toch zo’n elektrisch ding’, want zij wil natuurlijk wel lekker aan de wandel saampjes. Begrijp ik ook wel. Maar ik achter d’r aan in zo’n scootmobiel zeker? Kom zeg, ik ben geen invalide. Maar ja vervelend is het wel, want als ik dan met m’n benen zo omhoog zit, niet dat het helpt natuurlijk, maar toch, dan voel ik m’n knieën toch zo…’

En zo schuiven we langzaam een stukje op naar boven, via de knieën naar de heupen. De prostaat wordt godzijdank overgeslagen. Ik wil niet weten of ie het überhaupt nog doet, ik zou mevrouw Jansen niet meer recht in de ogen durven aankijken.
De buik is soms wat rommelig, de maag wat van streek, de longen wat kortademig, en dan komen we bij het hart. Een relaas van een kwartier, over pijntjes, slagen die worden overgeslagen, of juist op hol slaan.
‘Tsja, ik ben tenslotte ook de jongste niet meer, alles begint een beetje te haperen.’
Ja, behalve dan de stembanden, daar is helemaal niets mis mee.

Comment

There is no comment on this post. Be the first one.

Leave a comment